Nieuwe terminologie vereist geen hervorming van het schoolcurriculum.

Seksuele voorlichting: meer kennis, minder ideologie.

28 mei 2026, Comité Bescherm Onze Kinderen

In een artikel van VRT NWS op 17 mei “De juiste woorden aanleren zorgt ervoor dat er minder schaamte is om over problemen te praten” deed een groep experten een oproep om meisjes al vanaf de kleuterleeftijd de correcte benaming vulva aan te leren en hen vroeger te informeren over menstruatie. Daarom zou volgens hen het schoolcurriculum, van het basisonderwijs tot het secundair onderwijs, moeten worden herzien door minister van Onderwijs Zuhal Demir (Vrt Bron>>)

Het is onduidelijk wie deze experten precies zijn, aangezien slechts één naam publiek bekendgemaakt werd, namelijk van de endocrinoloog.


Het correct kunnen benoemen van de geslachtsdelen is zeker belangrijk, bijvoorbeeld om kinderen beter te leren communiceren over hun lichaam en om eventueel problemen of misbruik te kunnen melden.


Of het academische woord ‘vulva’ zijn intrede moet doen, in plaats van ander gekende woorden, laten we in het midden. Waarom men verandering wil wordt niet duidelijk aangegeven.


De huidige minimumdoelen bieden voldoende ruimte om kennis over het lichaam, de puberteit en menstruatie aan bod te laten komen in de klas. Het minimumdoel voor het basisonderwijs bepaalt immers: "De leerlingen kunnen lichamelijke veranderingen die ze bij zichzelf en leeftijdsgenoten waarnemen, herkennen als normale aspecten van hun ontwikkeling." In bestaande leermiddelen, zoals het voortplantingsboekje van Plantyn voor het laatste jaar van het basisonderwijs, zien we dat deze thema's reeds aan bod komen. Hiervoor is geen grondige hervorming van het schoolcurriculum nodig.


We weten dat Sensoa echter deze minimumdoelen wil uitbreiden zodat hun eigen doelstellingen worden opgenomen door de overheid en zo alle scholen hun liberale visie moeten volgen, dit is niet nieuw. Hoogstwaarschijnlijk laat Sensoa een arts spreken in hun plaats. Zij hopen via dit ene bezwaar een volledige omvorming te verkrijgen van het schoolcurriculum.


Wij zijn niet de eerste generatie die seksuele voorlichting krijgt, zoals endocrinoloog Martine Cools beweert. Reeds sinds de jaren zestig wordt er seksuele voorlichting gegeven, met accent op kennis van de anatomie, de cyclus en anticonceptie. Vandaag dreigen we eerder door te slaan in de andere richting. Sensoa legt te veel nadruk op een liberale en praktijkgerichte seksuele vorming en te weinig op grondige kennis van de hormonale cyclus, de menstruatiecyclus en het vruchtbaarheidsbewustzijn. Een beter begrip hiervan helpt jongeren om bewuster met seksualiteit om te gaan.


Minister van Welzijn Caroline Gennez is niet bevoegd voor de seksuele vorming in scholen, maar wel voor het algemene welzijn van jongeren. De minister zou kunnen laten onderzoeken hoe het komt dat het aantal soa's stijgt, dat er meer meldingen zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag en dat het aantal abortussen bij jongeren relatief hoog blijft. Kan dit mede het gevolg zijn van een nieuwe benadering van seksuele vorming, die explicieter en meer praktijkgericht is geworden? Een onafhankelijk onderzoek naar de effectiviteit van de huidige seksuele voorlichting en naar het beleid van Sensoa lijkt daarom wenselijk.


Conclusie

De bestaande minimumdoelen komen reeds tegemoet aan de geformuleerde bezorgdheden: de juiste woorden aanleren en vroeger informeren over menstruatie. Hiervoor is geen herziening van het schoolcurriculum nodig. De vraag rijst of de huidige oproep wordt gebruikt om een bredere hervorming van het schoolcurriculum te forceren, terwijl dit curriculum nog maar recent werd aangepast.

Een onafhankelijk onderzoek naar de effectiviteit van de huidige seksuele voorlichting en het beleid van Sensoa is wenselijk alvorens nieuwe verplichtingen aan alle scholen op te leggen.


Uitgebreide versie kunt u hier lezen>>